Rol van de leerkracht bij LOB

Als basisschoolleerkracht ben je bepalend voor de loopbaan van je leerlingen. In het basisonderwijs beginnen met LOB heeft invloed op:

  • de kwaliteit van het vo advies;
  • zo min mogelijk op- en afstroom in het vo;
  • zo min mogelijk uitval in het vo;
  • goed voorsorteren op de juiste profielkeuze halverwege het vo;
  • toeleiding naar de juiste mbo/hbo/universiteit;
  • toeleiding naar een baan met perspectief.

 

LOB betekent dat je je leerlingen helpt bij het verkennen van hun toekomstige school-en werkloopbaan. Dat doe je door:

  • leerlingen te begeleiding in het maken van de juiste keuzes, bijvoorbeeld de keuze van de middelbare school of de keuzes voor het onderzoeken van bepaalde interesses en vaardigheden;
  • leerlingen vertrouwen meegeven in hun eigen kunnen. Dat doe je door er met ze over te praten en ze opdrachten uit te laten voeren, waarin ze verkennen waar ze goed in zijn en wat ze leuk vinden;
  • leerlingen een flexibele houding mee geven;
  • met je leerlingen een goede band opbouwen.

Vijf loopbaancompetenties

Vijf competenties spelen een rol bij het loopbaanleren. (Bron: Over leerloopbanen en loopbaanleren, loopbaancompetenties in het (v)mbo’ van M.Meijers, M. Kuijpers en J. Bakker -2006). Deze vijf loopbaancompetenties zijn:

1. Kwaliteitenreflectie: wie ben ik? Wat kan ik?

Indicatoren voor kwaliteitenreflectie zijn:

  • de leerling weet waar hij goed en minder goed in is;
  • de leerling weet welke kwaliteiten hij kan inzetten voor het beroep dat hij gekozen heeft;
  • de leerling kan de ontwikkeling van zijn beroepscompetenties en talenten in verband brengen met eerdere ervaringen in zijn leven en met beelden/ inzichten over zijn toekomstige studie- en arbeidsloopbaan, levensloop.
Suggestie bij kwaliteitenreflectie:

Speel met de leerlingen in de klas een kwaliteitenspel.

Maak kwaliteitskaartjes waarop verschillende kwaliteiten staan zoals : zorgzaam, creatief, actief, zelfverzekerd, denker, handig, rustig, eerlijk, doorzetter, veelzijdig, flexibel, geduldig, nieuwsgierig, grappig, avontuurlijk, sportief, positief, dapper, optimistisch, netjes, spontaan, muzikaal, sociaal, serieus, zelfstandig, betrouwbaar, enthousiast, bescheiden, teamspeler, harde werker, vriendelijk, duidelijk, belangstellend, leergierig, relaxt, doener, kritisch, georganiseerd, behulpzaam, (leg als het nodig is de kwaliteit op het kaartje kort uit).

Laat leerlingen een kaartje pakken en dit geven aan een andere leerling met uitleg erbij.
Leg uit waarom je aan haar/hem dit kaartje geeft.
Wat heb je eraan om deze kwaliteit te hebben?

Laat kinderen zelf uitleggen waarom ze vinden dat deze kaartjes bij hen passen.
Ze kunnen natuurlijk ook nog zelf kaartjes uitzoeken.
Laat leerlingen dit spel ook samen met hun ouders thuis spelen. Op deze manier betrek je ouders bij LOB.

2. Motievenreflectie: wat wil ik? Wat drijft mij? Waar ligt mijn passie?

Indicatoren voor motievenreflectie zijn:

  • de leerling kan aangeven wat jij leuk en interessant vindt aan zijn opleiding;
  • de leerling weet wat zijn werkwaarden zijn;
  • de leerling kan verband leggen tussen eerdere ervaringen in zijn leven en zijn waarden;
  • de leerling kan verband leggen tussen beroepsdilemma’s en zijn waarden.
Suggestie bij motievenreflectie:

Laat leerlingen op een groot vel een collage maken.
Laat ze plaatjes uitknippen/ tekeningen maken/ teksten schrijven van:

  • Wat zijn mijn hobby’s?
  • Naar welke televisie programma’s kijk ik graag?
  • Welke muziek luister ik graag?
  • Waar ga ik het liefst naar toe op vakantie?
  • Wat doe je graag in je vrije tijd?

Laat de leerlingen de collages aan elkaar presenteren. Ook leuk om ouders hierbij uit te nodigen.

3. Werkexploratie: welk soort werk past bij mij? Waar liggen de kansen op de arbeidsmarkt? Wat wil ik later worden?

Indicatoren bij werkexploratie zijn:

  • de leerling heeft een beeld van de inhoud van het werk waar hij voor wil gaan leren;
  • de leerling weet welke beroepscompetenties nodig zijn in dat werk.

4. Loopbaansturing: wat wil ik worden?

Indicatoren voor loopbaansturen zijn:
  • de leerling kan doelen stellen voor zijn studieloopbaan;
  • de leerling baseert keuzes in zijn leerproces op zijn kwaliteiten en waarden en op zijn toekomstwensen.
Suggestie bij werkexploratie en loopbaansturing:

Natuurlijk kiezen leerlingen op de basisschool nog niet voor een beroep.
Het is wel heel nuttig om ze kennis te laten maken met verschillende beroepen en opleidingen. 
Op die manier krijgen ze al wel een indruk welke beroepen en opleidingen er zijn.
Ga met de leerlingen op een bliksemstage van JINC.
Laat ouders in de klas over hun beroep vertellen.
Laat leerlingen iemand interviewen met een beroep dat ze interessant vinden.
Organiseer een projectweek met als thema beroepen.
Organiseer een beroepenmarkt ouders en andere geïnteresseerden
Ga naar een excursie in de haven met de Port Rangers.
Bezoek de Skills Masters in Ahoy.
Geef informatieavonden over voortgezet onderwijs.
Ga op bezoek bij scholen voor voortgezet onderwijs. 
Laat leerlingen al wat lessen volgen in het voortgezet onderwijs.

5. Netwerken: wie kan mij daarbij helpen?

  • De leerling heeft inzicht in zijn netwerk van mensen die hem kunnen helpen. 
  • De leerling kan iets betekenen voor mensen in zijn netwerk.
Suggestie bij netwerken:

Laat leerlingen op een groot vel een aantal cirkels tekenen.
In het midden een cirkel met hun naam.
In de cirkels erom heen schrijven ze:

  • Familie
  • School
  • Vrienden
  • De sportclub of andere club
  • De buurt
  • Geloofsgemeenschap
  • Of iets anders waar ze veel zijn

Laat de leerlingen in iedere cirkel de namen opschrijven van mensen die ze kennen die in de betreffende cirkel horen.
Ga dan met de leerlingen in gesprek. Wie in deze cirkels zou mij kunnen helpen met LOB? Waarom kunnen deze mensen mij helpen? Hoe ga ik ze vragen of ze mij kunnen helpen?