Rotterdams Lerarenprofiel Voortgezet Onderwijs

Rotterdams Lerarenprofiel Voortgezet Onderwijs

A: Pedagogisch

Effectief krachtig pedagogisch handelen is noodzakelijk binnen het Rotterdamse onderwijs. Goede pedagogische kwaliteiten zijn essentieel voor de Rotterdamse leraar. Hij moet in staat zijn een veilig en uitdagend pedagogisch klimaat te realiseren, gericht op het bevorderen van autonomie, competentie, er bij horen en thuis voelen. Het is, met name in vmbo en praktijkonderwijs,  belangrijk leerlingen positieve ervaringen op te laten doen, ze te leren op zichzelf te vertrouwen. Een leraar moet zijn leerlingen echt kennen. De belangrijkste taak van een leraar, op het vmbo maar ook bij havo/vwo, bestaat eruit om kinderen te motiveren voor school en de aandacht vast te houden. Uitgangspunt moet zijn een positieve grondhouding en het streven naar het opbouwen van een positieve relatie met de leerlingen. Het is ook belangrijk om de leerlingen te kennen omdat er soms verklaringen te vinden  zijn waarom leerlingen bepaalde dingen doen, bijvoorbeeld te laat komen omdat ze thuis huishoudelijke taken moeten verrichten. Daarbij moet de docent zowel strikt als flexibel zijn. Als er iets gebeurt, snel en duidelijk ingrijpen, maar wel ‘koel’ blijven en er niet in blijven hangen. Blijvende aandacht is vereist bij de ontwikkeling van sociale vaardigheden en met gedragsproblematiek (systematische aanpak). In havo/vwo is het pedagogische/sociale aspect van doceren bij sommige vakken veel belangrijker  dan bij andere, bijvoorbeeld bij de vakken lichamelijke opvoeding en handarbeid.

B: Didactisch: vakkennis en differentiëren

Een groot belang van pedagogische vaardigheden gaat gepaard met grote didactische kwaliteiten. Het feit dat Rotterdam relatief veel laagopgeleide ouders met weinig sociaal en cultureel kapitaal  kent (meer dan de andere grote steden) , betekent zowel in vmbo als havo en vwo extra didactische aandacht. Deze leerlingen hebben weinig voorbeelden of ondersteuning van het leren thuis of in hun omgeving. Er is dan extra aandacht vanuit school nodig voor gedifferentieerde werkvormen, begeleiding en het leerlingen helpen hun leervaardigheden te ontwikkele Voor het vmbo en praktijkonderwijs is het belangrijk dat de school, de leraar, eisen stelt, de lat hoger legt, laat zien dat het diploma iets waard is. Maar vervolgens de leerling ook helpt deze lat te halen. Ook met ‘lastige’ leerlingen moeten resultaten worden behaald, teneinde de leerlingen een optimale start te geven. In het praktijkonderwijs is de tijd van ‘pappen en nathouden’ voorbij: de leerlingen moeten ‘echt wat leren’ opdat hun kansen op werk en zelfstandigheid worden vergroot. Dat veronderstelt leerlijnen en methodisch werken (bv met diataal) in plaats van losse eilandjes van de vakken.

Er zijn grote niveauverschillen tussen de leerlingen op het vmbo. Door de grote niveauverschillen dient een Rotterdamse leraar ook meer te kunnen differentiëren, zowel in het vmbo als in havo/vwo. Het differentiëren in de klas, gebruik van verschillende tools en het geven van adaptieve instructie is belangrijk om met de vele verschillen in niveaus in de klas om te kunnen gaan. Het vereist zowel een breed didactisch repertoire, als een goede beheersing van de kennis, als aandacht voor de leerling, zowel individueel als groepsgewijs. Sommige scholen verlengen hun lestijden (70 minuten) om meer ruimte te bieden voor differentiatie.

Ook vanuit didactisch perspectief is een goed en effectief klassenmanagement belangrijk. Leerlingen hebben structuur en duidelijkheid nodig. De leraar moet zijn les goed voorbereiden met een planmatige aanpak. Hij moet ook leerlingen kunnen begeleiden bij het leren leren, bv via het maken van een ontwikkelingsplan (POP, IOP).

De Rotterdamse leraar moet kritisch en flexibel om kunnen gaan met de gebruikte lesmethodes. Veel ‘nieuwe’ methodes betreffen een bestaande methode in een nieuw jasje. Een leraar moet niet per definitie vasthouden aan een bepaalde methode maar zich kunnen aanpassen aan wat nodig is en les geven op een manier waarop het optimaal is voor de leerlingen en waarbij hij zich comfortabel voelt. Creativiteit in het omgaan met een lesmethode (onderwijsontwikkeling) is ook nodig om activerend en motiverend les te kunnen geven.

Leraren moeten de moeilijke punten in hun eigen vak kennen en in didactiek vertalen. Vakdidactiek is en blijft belangrijk. Bij praktijkvakken is dat relatief duidelijk, bij theoretische lessen vereist het meer creativiteit. Daarbij hebben leerlingen verschillende niveaus, dus moet er gedifferentieerd worden. Om dat te kunnen moeten leraren hun vak goed doorgronden. Weten wat ze voor leerlingen kunnen betekenen en leerlingen duidelijk kunnen maken wat er voor hen te halen is.

Vaak is op dit moment gebruikelijk om leerlingen in groepen opdrachten te laten maken en daarmee kennis direct in de praktijk te laten brengen. Bij dit alles kunnen docenten veel beter gebruik maken van beschikbare data (zie bijvoorbeeld De Vos et al., 2015). Scholen nemen allemaal toetsen af, leggen dossiers vast en er is een leerlingvolgsysteem. Als deze data beter ontsloten zou worden en geanalyseerd zou worden dan kan bewust en gericht lessen voorbereid en ingericht worden. Dat vraagt wel om specifieke kennis van data, met andere woorden, dat vraagt bij scholen om datacoaches. Het gaat niet om dat er een nieuwe methode wordt toegepast of dat er in kleinere groepjes samengewerkt wordt, maar het gaat om het doel wat je wilt bereiken voor een leerling en daarbij een passende onderwijsmethode toepast.

Belangrijk is begeleiding op maat en leerlingen helpen zelfstandiger te worden (scaffolding). Ga in gesprek en vraag aan de leerlingen: waar heb je hulp bij nodig? Of wat heb jij van mij als mentor/leraar nodig? Er zijn altijd wel een paar leerlingen die niet op het juiste niveau zitten, die eigenlijk veel meer kunnen, maar bijvoorbeeld niet uitgedaagd zijn en het daardoor eigenlijk niet meer doen of het erbij laten zitten. Het is vaak niet schoolbreed vastgelegd dat leerlingen of met bepaalde cijfers of als ze ergens bovenuit steken een soort plusprogramma krijgen. Meestal gaat het om instrumenten als meer huiswerkklasbegeleiding voor de leerlingen die aan de onderkant zitten.

C: Taalbewust lesgeven

Voor elke leraar geldt dat hij aan taal moet werken. Dat betekent er aandacht aan geven en zich realiseren dat je er mee bezig bent. Dat geldt ook voor praktijkleraren; dat wil overigens niet zeggen dat iedereen taalles kan of moet geven. Geïnterviewde leraren die geen Nederlands doceren geven zij aan dat zij veel met taal bezig zijn. Leerlingen dienen bewust gemaakt te worden van de taal en dat betekent: vragen naar de betekenis van moeilijk woorden in de klas, zodanig dat er een cultuur ontstaat waarin dat vaker gevraagd gaat worden. Op die manier worden leerlingen bewuster en zijn ze meer met taal bezig. In feite zal elke leraar erop dienen te letten in zijn vakgebied: ‘elke les een taalles.’  Een leraar geeft bijvoorbeeld aandacht voor taal de ruimte door wel veel actualiteiten te behandelen in klas (door bv kranten te gebruiken), maar vind het  lastig om dit te combineren met het ‘programma’. Men krijgt geen extra uren voor of kleinere klassen. In een aantal scholen hebben leraren een cursus Taalgericht Vakonderwijs gehad. 

D: Beroepsgericht en Loopbaandialoog

De Rotterdamse leraar moet bewust en actief kunnen participeren in en bijdragen aan beroepgerichte programma’s binnen het vmbo. Leraren moeten in staat zijn om de leerlingen te laten zien dat de vakken (zowel de algemene als de beroepsgerichte), van belang zijn voor het (latere) beroep en waarom het belangrijk is te voldoen aan bepaalde eisen.

Leraren moeten een bijdrage kunnen leveren aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. Loopbaandialoog is belangrijk om te blijven voeren. Er is veel aandacht voor loopbaanoriëntatie (LOB), bijvoorbeeld in speciale lessen bij de mentor. Men is erop gericht dat leerlingen een gerichte keuze maken voor een sector in het derde leerjaar. Met behulp van loopbaanoriëntatie en –begeleiding ontdekken de leerlingen welke beroepen in de techniek het beste bij hen past en welke kansen deze beroepen hebben op de arbeidsmarkt. De vakmanschapsroute mondt uit in een startkwalificatie voor een beroep met uitzicht op een baan. Het vmbo slaat zo een brug tussen het basisonderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en het bedrijfsleven met afspraken over doorlopende leerlijnen. Men werkt samen met de omgeving en de scholen om met elkaar een vangnet én springplank te vormen voor leerlingen in Rotterdam. Op Zuid is hierin meer gestuurd dan in de rest van Rotterdam. Men brengt hen op een hoger plan door ze kennis te laten maken met vakmanschap, zowel in de school met persoonlijk meesterschap van het personeel, als daar buiten door stages en excursies in het bedrijfsleven. Een vakschool richt zich specifiek op een bepaald vakgebied. Dit is in veel gevallen ook de reden waarom leerlingen voor een dergelijke school kiezen. In zowel het vmbo als praktijkonderwijs is veel aandacht voor praktisch leren, zowel op school als via stages. Leerlingen die het op school niet goed doen functioneren soms verbazend goed in de praktijk. Maar ook het omgekeerde komt voor. Veel hangt af van de sociale vaardigheden.

E: Samenwerken

De Rotterdamse leraar moet goed kunnen samenwerken: met collega’s in het lerarenteam, met zorgprofessionals, met ouders, met toeleverend  en afnemend onderwijs,  en (in het beroepsonderwijs) met bedrijven en instellingen.            

  • Met leraren in het team De Rotterdamse leraar dient een teamspeler te zijn en te kunnen werken in teamverband. Binnen veel scholen moet beter onderling samengewerkt kan worden tussen leraren van verschillende vakken. Dat betekent naast overleg en kennis van elkaars programma bijvoorbeeld lessen van elkaar bezoeken en feedback op elkaars lessen geven. Een school waar collegiale consultatie geldt, laat zien dat het bij elkaar in de lessen kijken kan zonder daar direct een waardeoordeel aan te hangen.
  • Met zorgprofessionals Rotterdam kent veel leerlingen met persoonlijke, sociale of gedragsproblemen. Samenwerking met zorgprofessionals binnen en buiten de school is dan ook zeer belangrijk. Ook dient er een goede samenwerking te zijn met de zorgcoördinator en tevens dient er duidelijk te zijn wie welke taak heeft om verwarring voor het kind te voorkomen.
  • Partnerschap met ouders Betrokkenheid van de ouders bij het onderwijs van het kind vinden onze respondenten cruciaal voor het succes van de leerling. Dat wordt ook door de literatuur bevestigd. Met name op het vmbo is men daar vaak ook al bewust mee bezig en vraagt dit ook van de leraar. Bij havo/vwo is dit vaak wat meer incidenteel en wordt het meer gezien als een verantwoordelijkheid van de mentor of ouderconsulent. Van elke Rotterdamse leraar mag verwacht worden dat hij het belang inziet van intensieve samenwerking en partnerschap met de ouders en dat hij/zij daar vorm aan weet te geven en weet te benutten, omdat zij onontbeerlijk zijn voor het succes van hun kind. Op een aantal scholen treden leraren als mentor op en bezoeken ouders thuis, soms jaarlijks, soms bij het begin van de leerling op de school.
  • Samenwerken met bedrijven en instellingen Leraren in vmbo en praktijkonderwijs werken ook direct samen met bedrijven. Zo is een leraar geïnterviewd die daadwerkelijk een aantal uren per week in een bedrijf (supermarkt) aanwezig is om leerlingen te begeleiden
  • Aansluiting basisschool/mbo De Rotterdamse leraar dient geïnteresseerd te zijn in en waar nodig kunnen communiceren met het toeleverend en afnemend onderwijs, vanuit het perspectief van de onderwijsloopbaan van de leerlingen. Leraren kunnen leren van het basisonderwijs enerzijds en het middelbaar beroepsonderwijs anderzijds. Zo wordt er binnen het basisonderwijs meer gedifferentieerd dan binnen het vmbo; daar zijn wellicht lessen uit te trekken voor het vmbo. Hetzelfde geldt voor de ouderbetrokkenheid, deze is veel groter binnen het basisonderwijs dan in het vmbo. De Rotterdamse leraar moet goed op de hoogte zijn van wat er van leerlingen verwacht wordt op het mbo dan wel hbo en universiteit. Men kan lessen beter afstemmen op het vervolgonderwijs, indien men hier beter van op hoogte zou zijn.

 

F: Professionalisering

Van Rotterdamse leraren mag je verwachten dat ze open staan voor leren en individuele en teamprofessionalisering. Dat is niet omdat de basisvaardigheden niet zouden deugen. Integendeel: “ze hebben over het algemeen goede basisvaardigheden”: ze weten een klas rustig te houden, maar ook in beweging te krijgen. Ook doen ze goed hun best om de onderwijstijd optimaal te benutten. Wat wel gesignaleerd wordt, is dat de Rotterdamse leraar minder goed is in differentiëren: om samen met hun schooldirecteuren een analyse te maken van onderwijsbehoeften van leerlingen en daaraan een onderwijsaanbod te koppelen dat anders is dan het standaardaanbod.

Een goede leraar moet goed kunnen reflecteren en kritisch naar eigen gedrag leren kijken. Dat is niet altijd eenvoudig.

Er wordt steeds meer verwacht van leraren, dat zij zich (met name) vakinhoudelijk blijven ontwikkelen. De manier waarop je kennis overbrengt is belangrijk om een succesvolle leraar te zijn. Intervisie onder collega-leraren werk stimulerend en is uitdagend om meer te leren over het eigen beroep. Dit gebeurt de laatste jaren steeds meer: leraren die elkaar opzoeken, bij elkaar in de klassen kijken, studiekringen, etc. De ontwikkeling van het opzetten van professionele leergemeenschappen past hierin, hoewel het nog lang niet wijdverspreid is. In veel scholen wordt actief gewerkt aan nieuwe aanpakken. Leraren moeten bereid zijn daarin mee te gaan en een actieve bijdrage te leveren. Ook participeren ze in scholing.